Cornelis Anker

(1878-1939)


"Kantoorhouder der P.T.T."


JEUGD

Cornelis Anker werd geboren op dinsdag 5 februari 1878 in Stolwijk. Zijn ouders waren Abraham Anker en Dirkje van Eck en ze woonden in huis nummer 168 te Stolwijk. Vader Abraham was landbouwer van beroep en zijn zoon Cornelis kwam dus als boerenzoon ter wereld. Cornelis was het jongste kind in een gezin van vijf kinderen, hij had drie zussen en één broer. Er waren nog twee broers maar die kwamen allebei binnen een jaar na de geboorte te overlijden. Helaas gebeurde dit destijds veelvuldig. Over zijn jeugdjaren is niets bekend maar als kind van een landbouwer in een klein boerendorp als Stolwijk groeide hij op tussen de weilanden, de koeien en het rustige dorpsleven. Zijn vader was geen 'grote boer' meer zoals de Familie Anker drie generaties eerder in Schoonouwen. Toen was er sprake van groot landbezit met meerdere hofsteden, maar als gevolg van scheiding, emigratie en verdeling van boedels was het bezit van de familie inmiddels versnipperd. De vader van Cornelis was dus een kleinschalige landbouwer, eerst in Benedenkerk en na 1892 aan de Goudscheweg.

Cornelis ging op dinsdag 1 maart 1898 in militaire dienst en dankzij de gegevens van de keuring weten we dat hij 1.713 mtr. lang was. Hij had bruine ogen, een gewone neus en blond haar. Hij werd ingedeeld bij het 1ste regiment vestingartillerie (1ste compagnie). Voor zijn diensttijd was hij werkzaam als boerenwerkman, waarschijnlijk bij zijn vader. Dit was helemaal volgens de verwachting want de familie Anker was immers al generaties werkzaam als agrariërs. Toch hadden Cornelis en zijn broer Jan Cornelis andere ambities. Broer Jan Cornelis werd timmerman en ook Cornelis besloot een ander beroep dan vader te kiezen. Zijn keuze zou van grote invloed zijn op de rest van zijn leven en die van zijn nakomelingen. Op 26 mei 1900 was Cornelis hij nog steeds in militaire dienst, maar drie weken later tijdens zijn huwelijk was hij werkzaam als koopmansbediende.


HUWELIJK

Cornelis Anker trouwde vrijdag 15 juni 1900 op 22-jarige leeftijd te Stolwijk met Neeltje Johanna Anker. Het eerste wat opvalt is natuurlijk dezelfde achternaam, dit was een Anker-Anker huwelijk. Neeltje Johanna werd geboren op 21 december 1872 te Stolwijk en was de oudste dochter van Jan Anker en Lena Slappendel. Ze waren geen directe familie van elkaar maar er is wel sprake van een tiende graad verwantschap omdat ze allebei afstammen van Willem Ariens Ancker (1704-1764). Neeltje Johanna was voor haar huwelijk werkzaam als dienstbode.

Woensdag 12 december 1900 werd hun eerste zoon (mijn grootvader) Abraham Anker geboren. Het kersverse gezin woonde op dat moment op nummer 15 in wijk A te Stolwijk. Cornelis was op dat moment werkzaam als pakhuisknecht en zou snel een belangrijke carrière-switch maken.


POSTBODE

In 1902 kwam Cornelis namelijk als postbode in dienst bij "het Staatsbedrijf der Posterijen". Deze keuze zou van grote invloed zijn op de toekomst van mijn familie. De postbode L. Benschop te Stolwijk werd overgeplaatst naar Overschie en dus was er in Stolwijk behoefte aan een nieuwe postbode, Cornelis besloot te solliciteren en werd aangenomen. De PTT was destijds nog een staatsbedrijf en een baan bij de posterijen was een gewilde baan want een staatsbedrijf kon immers niet failliet gaan. Men was verzekerd van werk en die zekerheid was destijds heel belangrijk. Vanzelfsprekend moest hij onderaan de ladder beginnen en de eerste jaren was hij dan ook "besteller van de buitenwijken". Zijn startsalaris was 275 gulden per jaar. Dat was geen vetpot en een baan bij de posterijen werd dan ook wel omschreven als: "vast werk/vaste armoede". Men had immers de verzekering van werk maar ook van een bescheiden loon. De enige manier om meer te verdienen was hard werken en proberen hogerop te komen. Dit was precies wat de ambitieuze Cornelis ging doen, maar eerst zou hij onderaan moeten beginnen als postbode. Het beroep van postbode was destijds anders dan tegenwoordig. Er was een verschil tussen postbode en brievenbesteller; de postbode bracht de bundels post van dorp naar dorp terwijl de brievenbesteller de post daadwerkelijk aan huis bracht. Het beroep van postbode was ook nog redelijk zwaar werk, er waren veel slechte onverharde wegen, grote afstanden om te overbruggen en krappe tijdslimieten. Dit alles maakte het werk van de postbode niet gemakkelijk. Toch was het een gewilde baan want de postbode stond symbool voor betrouwbaarheid en het was afwisselend werk met een zekere mate van vrijheid. De postbode was een graag geziene man en voor de mensen ook een aanspreekpunt want hij was mobiel en sprak veel mensen. Het uniform gaf hem een uitstraling waardoor hij met respect werd benaderd. Vermoedelijk deed Cornelis aanvankelijk het zware postbodewerk maar later ook het brievenbestellen. In 1903 werd Cornelis kortstondig overgeplaatst naar Nieuwerkerk aan de IJssel waarvoor hij dan ook iets beter werd beloond.

Dinsdag 24 mei 1904 kregen Cornelis en Neeltje Johanna hun tweede kindje. Dochter Lena werd ook geboren in Stolwijk en het gezin woonde toen in Wijk C nummer 67. Helaas kwam Lena snel te overlijden; zaterdag 9 juli 1904 was een trieste dag voor het gezin Anker. Op de geboorte en overlijdensakte van Lena werd Cornelis genoteerd als zijnde brievensteller, dit maakt het aannemelijk dat hij zijn werk als postbode afwisselde met brievenbesteller.


AMEIDE

In 1906 kwam er wederom een belangrijke verandering in het leven van Cornelis en zijn gezin. Hij verhuisde met Neeltje Johanna en zoon Abraham naar het Lekdorp Ameide (ZH) om ook daar als postbode aan de slag te gaan. Dit was ongetwijfeld een moeilijke stap want hij moest zijn familie in Stolwijk achterlaten; het dorp waar zijn voorouders al generaties lang woonden en werkten. Gelukkig woonde zijn zus Jans (Jannigje) Anker en haar man Dirk van Middelkoop in Tienhoven, onder de rook van Ameide, en was er zodoende toch wat familie in de buurt. In Ameide kwam het gezin in de Nieuwstraat 225b te wonen, later verhuisden ze naar de Voorstraat 277 en de Fransestraat 257c. De verhuizing had ook een andere belangrijke bijkomstigheid want Cornelis zijn jaarwedde steeg naar 440,- gulden. Na enkele jaren in Ameide werd op woensdag 5 februari 1913 een tweede zoon geboren; Jan Cornelis Anker, mijn grootvaders enige broer. Verder is over de tijd in Ameide niet veel bekend, behalve dat het gezin er met plezier heeft gewoond. In zijn vrije tijd was hij jarenlang secretaris en penningmeester van de zangvereniging "Kunstliefde en Vriendschap" in Ameide. Ongetwijfeld was hij ook zingend betrokken. Daarnaast besteedde hij ook veel tijd aan zijn carrière want na 'ernstige' studie slaagde hij voor het toelatingsexamen voor hoofdbesteller bij den treindiensten. In Ameide was Cornelis makkelijk in de gelegenheid om te gaan vissen in de Lek. Hij kon goed "baarsen" en was zo slim om "de hoge heren" van de PTT mee te nemen om te gaan vissen op de Lek. Of dit een bewuste poging was om carrière te maken weet ik niet, maar het was ongetwijfeld goed voor zijn loopbaan bij het Staatsbedrijf der Posterijen. Volgens overlevering was Cornelis een pientere man en dat blijkt ook wel uit deze slimme zet want later zou Cornelis de kans krijgen op een echte positieverbetering.


BERGAMBACHT

Dat het gezin met veel plezier in Ameide heeft gewoond blijkt ook uit een artikel in de Schoonhovensche Courant uit 1917: "De altijd opgewekte en ijverige postbode Cornelis Anker heeft in de elf jaren van zijn verblijf alhier tal van vrienden gemaakt en zal hij noode worden gemist".

Mede dankzij zijn goede relatie met de "hoge heren" bij de PTT kreeg Cornelis in 1917 een kans op promotie. Dit was een grote vooruitgang in zijn maatschappelijke positie. Hij werd aangesteld als brievengaarder van het hulppostkantoor te Bergambacht en het gevolg was dat hij weer moest gaan verhuizen. Een brievengaarder was een "kantoorhouder van een hulppostkantoor" en deed zijn werk aan huis waarvoor hij een vergoeding kreeg. In het geval van Cornelis was dit 70,- gulden per jaar. Soms moest de brievengaarder de brieven zelf bezorgen maar hij kon hiervoor ook mensen in dienst nemen. In Bergambacht had Cornelis vermoedelijk twee brievenbezorgers onder hem. Pieter Blanken Pz. was één van de postboden die werkten met Cornelis. Deze promotie was op alle fronten een grote stap vooruit. Zijn salaris steeg naar 755,- gulden per jaar en hij kon zijn postbode-uniform inruilen voor een net pak met zakhorloge. Brievengaarder/kantoorhouder was destijds een belangrijke baan want hij had de verantwoording over het kasbeheer. De kas moest immers altijd kloppen en menig kantoorhouder kon de verleiding van het vele geld dan ook niet weerstaan; in de oude kranten staan vele berichten van kantoorhouders die in het huis van bewaring terecht kwamen. Het vele geld dat iedere dag passeerde was voor sommige kantoorhouders een té grote verleiding. Naast het kasbeheer moest hij ook de postbodes en brievenbestellers aansturen, de post verwerken en had hij de eindverantwoording over het hele postkantoor. Het was een baan met "enig aanzien" want men keek toch een beetje op tegen deze ambtenaar in dienst van het Staatsbedrijf der Posterijen, destijds nog een instituut. De uitspraken "als je voor een dubbeltje bent geboren, zul je nooit een kwartje worden" en "je moet je plek kennen" stammen nog uit deze tijd. Cornelis was een boerenzoon, een arbeider, dat hij zich op wist te werken tot kantoorhouder was best bijzonder.

In Bergambacht kwam het gezin te wonen op de Hoofdstraat 16-18. Cornelis kocht een winkel-en woonhuis met erf van Adrianus Nicolaas Oskam voor 3.850,- gulden. Dit pand zou ruim 65 jaar in de familie blijven, totdat het begin jaren '80 werd gesloopt om ruimte te maken voor de nieuwe P.J. Smitsstraat. Cornelis kocht het pand maar hiervoor had hij wel de hulp nodig van zijn schoonvader Jan Anker, die enigszins vermogend was. In dit pand kon het gezin wonen en tegelijkertijd het postkantoor aan huis houden, een ideale plek dus. Vanaf oktober 1917 kwam schoonvader Jan Anker ook bij het gezin wonen. Op dat moment leek alles rozengeur en maneschijn voor de familie Anker maar helaas brak er een moeilijke tijd aan.


WEDUWNAAR en 2e HUWELIJK

Vrijdag 21 februari 1919 kwam moeder Neeltje Johanna te overlijden, ze werd slechts 46 jaar oud. De oorzaak van haar overlijden is onbekend, behalve dat er een ziekbed aan vooraf ging. Cornelis bleef achter met zijn twee zonen Abraham, die inmiddels volwassen was, en Jan Cornelis. Schoonvader Jan Anker woonde ook nog steeds in bij zijn schoonzoon. Op 1 januari 1920 veranderde zijn functieomschrijving van "brievengaarder" in "kantoorhouder van de postdienst". Vermoedelijk was dit een verandering die landelijk werd doorgevoerd door het Hoofdbestuur der PTT. In de praktijk veranderde er waarschijnlijk niet veel.

Cornelis bleef niet lang alleenstaand, want op dinsdag 20 april 1920, veertien maanden na het overlijden van Neeltje Johanna, hertrouwde hij met de 38-jarige Willemina van Zoest. Willemina was de dochter van grofsmid Willem Hugo van Zoest en caféhoudster Maria Blanken. Het hotel-café-restaurant 'Het Bonte Paard' te Bergambacht was eigendom van de familie van Zoest en was in die familie gekomen doordat moeder Maria Blanken de herberg in 1872 overgenomen had van haar moeder. Rond 1920, toen Cornelis en Willemina trouwden, werd het café beheerd door Willemina's broer Teunis van Zoest. Willemina was voor haar huwelijk met Cornelis ongetwijfeld zo nu en dan werkzaam in het café. Cornelis' schoonvader Jan Anker vertrok op 8 april naar Gouda, net voor het huwelijk met Willemina van Zoest. Het is denkbaar dat hij zich niet meer op zijn gemak voelde met Cornelis zijn nieuwe vrouw over de vloer, en dus besloot hij te verhuizen.

Rond 1920 liet Cornelis ansichtkaarten maken met diverse afbeeldingen van het dorp Bergambacht. Deze kon hij vervolgens inclusief postzegels verkopen via het postkantoor. Er zijn nog diverse oude ansichten in omloop waar op de achterzijde staat vermeld: uitgever C. Anker, Postkantoor Bergambacht. Dit was natuurlijk een slimme en eenvoudige manier om extra inkomsten te verkrijgen en bovendien bleef er een mooie foto over van het postkantoor met de kantoorhouder ervoor poserend (zie foto 2). Later liet hij ook enkele ansichtkaarten maken samen met Duhen, vermoedelijk de plaatselijke drogist.

Naast zijn werk als kantoorhouder was Cornelis vanaf 1922 ook werkzaam als "agent van de vrijwillige ouderdomsverzekering", dat was voor zover ik weet een soort verzekeringsagent van pensioenen. De PTT gaf hem een vergunning op 13 december 1922 om als zodanig op te mogen treden. Op dat moment was hij twintig jaar in dienst van de PTT en uit zijn dienststaat blijkt dat ze erg tevreden over hem waren. De archiefmedewerkster die mij erg behulpzaam was vertelde me dat dit af te leiden is aan zijn stijgende salaris, promoties en lage ziekteverzuim. Er waren er ook geen berispingen. Vrijdag 24 augustus 1923 was een feestelijke dag want toen trouwde oudste zoon Abraham Anker met Maria Johanna Ravensberg, de dochter van boomkweker Willem Jacobus Ravensberg en Neeltje Radder. Het gezin Ravensberg was in 1916 vanuit Boskoop naar Bergambacht gekomen om een nieuwe toekomst op te bouwen. Enkele maanden na het huwelijk kon Cornelis zich de trotse opa noemen van zijn eerste kleinkind. Niet alleen kreeg het kind de naam Cornelis maar werd ook op dezelfde datum geboren als zijn opa en oom Jan Cornelis (5 februari).


KRALINGSCHE VEER

Na 13 jaar Bergambacht kwam er in 1930 een nieuwe kans op positieverbetering. Cornelis werd overgeplaatst naar Kralingscheveer. En dus verhuisde hij met Willemina en jongste zoon Jan Cornelis naar het dorpje onder de rook van Rotterdam om daar zijn werk als kantoorhouder voort te zetten. Oudste zoon Abraham bleef met zijn jonge gezin in Bergambacht wonen en werd huisschilder na korte tijd als hulpbesteller te hebben gewerkt. Het nieuwe adres in Kralingscheveer was Schaardijk 348 en zijn jaarsalaris was inmiddels gestegen naar 2024,- gulden. Blijkbaar waren ze in Kralingsche Veer ook erg tevreden want in augustus 1938 kreeg Cornelis Anker de ere-medaille in zilver, een koninklijke onderscheiding.


OVERLIJDEN

Helaas was de vreugde van korte duur want vijf maanden later op nieuwjaarsdag zondag 1 januari 1939 kwam Cornelis plotseling te overlijden. Op oudejaarsavond na twaalven ging Cornelis voor het slapen gaan nog even het postkantoor in om iets te doen. Vervolgens is hij naar bed gegaan waar zijn vrouw Willemina inmiddels al in slaap was gevallen. Later in de nacht kwam Willemina tot de verschrikkelijke ontdekking dat Cornelis naast haar in zijn slaap was overleden. Een hartstilstand/aanval werd hem fataal en op de leeftijd van 60 jaar kwam er een einde aan het leven van een hard werkende man met groot plichtsbesef. In de krantenberichten n.a.v. het overlijden werd gesproken over zijn "zonnige karakter" en in het maandelijkse officiële PTT orgaan van januari 1939 werd hij omschreven als: "een werkzaam en nauwgezet kantoorhouder die zijn arbeid steeds met opgewektheid verrichtte, nimmer was Anker iets te veel of te zwaar en steeds was hij bereid iemand te helpen". In een ander bericht stond ook dat hij in Bergambacht een goede herinnering heeft nagelaten en in Ameide omschreef men hem als "altijd opgewekt en ijverig". Enkele maanden later werd zijn functie van kantoorhouder te Kralingsche Veer voortgezet door zoon Jan Cornelis Anker.

In 1938, kort voor het overlijden van Cornelis, was het postkantoor te Bergambacht ook nog even in het nieuws want de opvolger van Cornelis nam het niet zo nauw met het beheer van de kas. In de krant werd dan ook het verschil benadrukt met zijn voorganger; "zijn voorganger (Cornelis) was zeer nauwkeurig, en eischte van het onder hem gestelde personeel een zeer precies vervullen van plichten". In onze oren klinkt dit misschien een beetje dictatoriaal, maar destijds waren de verhoudingen tussen werkgevers, notabelen, leidinggevenden en het personeel/gewone volk heel anders dan vandaag de dag. Men had bijvoorbeeld nog de gewoonte om de pet af te nemen als je iemand tegen kwam die hoger op de maatschappelijke ladder stond. Cornelis was gewoon een ambitieus man en verlangde van zijn personeel een goede werkinstelling. Maar desondanks lees ik gelukkig ook over zijn zonnige karakter, opgewektheid en behulpzaamheid.

Zijn keuze in 1903 om te kiezen voor de zekerheid van het staatsbedrijf bleek inmiddels een uitermate verstandige keuze want hierdoor ging de crisis in de jaren '30 redelijk ongemerkt voorbij aan het gezin Anker. Zijn salaris steeg tussen 1917 en 1939 flink;

1919: f 1.020 gulden per jaar.

1922: f 2.210 gulden per jaar.

1925: f 1.932 gulden per jaar.

1930: f 2.700 gulden per jaar.

1934: f 2.430 gulden per jaar.

(bron: PTT dienststaten)

Daarnaast had hij ook nog andere inkomsten want hij trad na 1922 ook op als agent van de vrijwillige ouderdomsverzekering en had hij vermoedelijk inkomsten uit de verkoop van ansichtkaarten die hij had laten vervaardigen en vervolgens verkocht in het postkantoor. Zo waren zijn inkomsten in 1921 volgens de gegevens van de gemeente Bergambacht f 3.100 gulden. Dit bedrag is veel hoger dan wat hij volgens de PTT de jaren ervoor en erna verdiende dus waarschijnlijk had hij meerdere inkomstenbronnen. Als boerenzoon, die door hard werken zichzelf een betere positie had verworven, wist Cornelis maar al te goed hoe belangrijk scholing was. Hij drong dus aan op een goede opleiding voor zijn kleinzoon Cornelis. Hij wilde graag dat zijn kleinzoon na de lagere school zou doorleren maar dat was destijds niet gebruikelijk voor kinderen van gewone afkomst. Vervolgens kregen alle zonen Anker een goede opleiding. Dit geeft al aan dat Cornelis Anker een groot stempel drukte op de familie. In de moeilijke crisisjaren '30 was hij het gezin van zoon Abraham zo nu en dan ook financieel behulpzaam.

C.J. Anker